Een ander populair gebruik van het woord autonomie is in de context van auto’s. Automobielen. Rijdende voertuigen met een (verbrandings)motor. Maar dan wel vooral in de Engelse taal.

Hoewel in Nederland de term autonome auto soms ook wordt gebruikt, is de zelfrijdende auto hier de meest gangbare benaming. In het Engels is autonomous car wat populairder, hoewel daar self-driving car weer nóg iets populairder is.

We wisten al dat auto een Griekse term is voor zelf. Hier begint de etymologie leuk te worden. Autonome auto wordt zelfregulerende zelf. En zelfrijdende auto is zelfrijdende zelf. Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Want auto is natuurlijk een korte versie van automobiel en dat betekent zelfbewegend. Een autonome automobiel is dus een zelfregulerende zelfbewegend. Wat een chaos.

Autonomie in de context van auto’s is, net als in de context van regio's, heel erg verwarrend. We hebben nog maar kortgeleden in dit boek bepaald dat autonomie vooral een manier is om te kiezen uit opties. En die manier kies je zelf (een zelfgekozen manier om te kiezen is trouwens ook verwarrend recursief). Maar een auto heeft helemaal geen zelf. Het is een ding. Een apparaat. Eventueel geprogrammeerd door mensen. Het autonome eraan is dat zelfrijdende auto’s zó goed geprogrammeerd zijn dat ze inmiddels door de bank genomen beter kunnen rijden dan mensen én dat ze ook kunnen leren van verkeerssituaties. Sterker nog: waar een persoon netjes uurtjes moet maken in een lesauto en dan nog steeds menselijke fouten kan maken, kan software voor zelfrijdende auto’s vele duizenden tests tegelijk duizenden malen zo snel doen en zo dus heel erg goed worden in autorijden. En het resultaat ervan dan delen met alle andere autonome auto’s door middel van een softwareupdate. Nog maar een bewijs dat een auto geen zelf heeft of een zelf ís. Het is een geprogrammeerd ding met precies dezelfde software als heel veel andere precies dezelfde geprogrammeerde dingen. En de nieuwe ervaring van de ene, is automatisch ook een nieuwe ervaring van de andere.

Behoeften

Het probleem met de term autonomie is dat een auto geen zelf heeft. Een auto heeft überhaupt geen behoefte aan autonomie, zoals een mens dat wel heeft. Het boeit die auto niets of hij het nu zelf kan of moet doen of dat er een heel erg goede coureur of een brokkenpiloot in de auto zit. Als we autonomie willen begrijpen maar één van de meest gangbare introducties van de term is die van een geprogrammeerd apparaat, dan helpt dat niet.

Later in dit boek kunnen we erachter komen dat autonomie een belangrijke fundamentele waarde is en dat het voornamelijk voor individuen geldt, zeker niet voor apparaten. Sterker nog: apparaten staan doorgaans autonomie enorm in de weg. De paradox van de zelfrijdende, autonome, auto is dat het weliswaar de autonomie van het individu beperkt (de bestuurder mag of kan niet meer zelf kiezen), maar dat het, waarschijnlijk, de verkeersveiligheid ten goede komt. Totdat iemand met een druk op de knop álle zogenaamde autonome auto’s kan besturen en autonomie toch geen autonomie bleek. Het is één van de vele complexiteiten van autonomie. En dit is nog maar het begin.