In het vorige hoofdstuk werden verschillende vormen van liefde behandeld. Het moeilijkst te begrijpen en te ervaren (en te bespreken) is agápe. Die vorm van liefde kun je niet uitleggen als het opvolgen van een voorwaarde. Storge (liefde als een ouder voor een kind), éros (het één willen worden met iets of iemand) en philia (vriendschap op basis van gemeenschappelijke waarden of interesses) zijn daarom gemakkelijker te begrijpen of te voorzien van voorbeelden. Xenia (gastvrijheid) laat zich uitleggen als respect voor mensen ver van huis en vice versa, het tonen van respect als reiziger ver van huis voor bij wie je te gast bent.

Er is echter nog een andere vorm die de oude grieken onderscheiden en dat is philautia of zelfliefde (philia = liefde en het bekende auto = zelf). Een goede toevoeging, immers, want hoe kan men leven zonder van zichzelf te houden?

Best goed eigenlijk, zullen we gaan zien.

Als we Iris Murdochs definitie van liefde (ik neem aan dat ze agápe bedoelt) gebruiken, dan weten we dat liefde het extreem moeilijke besef is dat iets buiten het zelf werkelijk is. Zodra we dan over zelfliefde spreken, dan is dit een contradictio in terminis, iets in tegenspraak met zichzelf. Maar we hoeven natuurlijk ook niet altijd naar Iris Murdoch te luisteren. Bovendien: als zelfliefde philautia is, dan dienen we te kijken naar philia en dat kan worden uitgelegd als vriendschap op basis van gemeenschappelijke waarden. Maar dan wordt het al helemaal problematisch: want natúúrlijk heb je dezelfde waarden als jezelf. Het is een non-issue. Met deze uitleg kunnen alleen mensen met schizofrenie geen zelfliefde tonen[1].

Er zijn nog wel meer argumenten om tegen zelfliefde te zijn.

Grofweg zou je zelfliefde kunnen uitleggen op twee uiterste manieren: als het voortrekken van jezelf (ten koste van anderen) voor eigen gewin of juist het optimaliseren van individuele voorwaarden voor het leven van een deugdvol leven. We hoeven nog geen conclusie te trekken welke richting de beste is van de twee, maar de tweede is de beste.

Bij de eerste extreme variant is zelfliefde uit te leggen als egoïsme of ijdelheid. Het tweede is liefde voor het goede wanneer dat het in het individu tot uiting komt.

Jean-Jacques Rousseau spreekt over twee verschillende vormen van zelfliefde: amour-propre—denk aan property (bezit) of properties (eigenschappen) —dat vooral gaat over liefde en amour-de-soi, dat vergelijkbaar is met de drang van dieren om te overleven. Zonder amour-propre kunnen we best. Amour-propre gaat altijd ten koste van anderen. Amour-de-soi niet per se. Zonder amour-de-soi kunnen we niet, tenzij we het over altruïsme hebben.


  1. Of juist wel? ↩︎