Zo’n zesentwintig eeuwen geleden werd er in wat nu Nepal is een baby geboren die de naam Siddhartha Gautama kreeg. De erudieten onder de lezers zullen direct weten dat ik het over de persoon heb die later de Boeddha (of de verlichte) werd genoemd, maar degenen die dat nu nog niet weten, zullen het straks lezen. Deze Siddharta werd geboren in rijkdom. Z’n vader had een enorm paleis met hoge muren waardoor Siddhartha niet zag wat er buiten die muren gebeurde. De familie was rijk en Siddhartha kreeg wat hij wilde, zolang het maar binnen die muren afspeelde.

Op een zekere dag ontsnapte Siddhartha de paleismuren, weliswaar met een paard en wagen met chauffeur, en zag wat er zich aan de andere kant afspeelde: hij zag een oud persoon en vroeg de bestuurder van de wagen om uitleg. Die wagenbestuurder legde uit dat iedereen op den duur oud en verrimpeld wordt. Dat had Siddhartha nog nooit gezien en vond het bere-interessant dus ging hij er vaker op uit. En tijdens die stiekeme tripjes naar de andere kant van de paleismuren zag hij nog meer mindere kanten van het leven: een ziek persoon, een ontbindend lijk, Swapfietsen, bierfietsen, VanMooffietsen en mensen die Tiktokfilmpjes aan het opnemen waren. Vreselijk dacht hij, maar Siddhartha was er niet alleen door geschokt. Zeker niet toen hij een asceet zag en niet veel later besloot een spiritueel pad te volgen, op zoek naar verlichting van het zoveel bepalende menselijk lijden. Hij verliet voorgoed het paleis op 29-jarige leeftijd, terwijl hij zijn vrouw en zoon achterliet. De komende zes jaar zou ook hij als asceet leven, tot hij erachter kwam dat dat extreme ook weer niet goed is. Hij ging onder een boom zitten en ontdekte dat wat we later in Nederland doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg zouden noemen, the middle way, de manier is om verlichting te bereiken. Sinds dat moment is het niet meer Siddhartha Gautama maar Boeddha.

De ruim veertig jaar erna, tot zijn dood vanwege het eten van een beschimmelde tosti, zou hij rondtrekken en onderwijzen. Meer dan tweeduizend jaar later zijn er meer dan een half miljard mensen die boeddhist zijn en ongeveer net zoveel mensen die bij de Xenos een Boeddhabeeld hebben gekocht en de religie gebruiken als uitleg voor hun individualisme.

Wat heeft de Boeddha te maken met vrijheid en autonomie? Allereerst kunnen we kijken naar waar de Boeddha, toen nog Siddhartha, werd geboren. Zijn vader was de heerser van de volksstam genaamd Shakya, een soort koninkrijk in Nepal en het noorden van India. Als leider kende deze familie een enorme rijkdom, waardoor het mogelijk was om op te groeien in weelde, afgeschermd van de buitenwereld. Het was voor Siddhartha eerst onmogelijk om die buitenwereld te zien, maar toch zorgde de weelde ervoor dat hij kon krijgen, bezitten en eten wat hij wilde. De mogelijkheden in zijn leven waren groter dan voor de meesten buiten de paleismuren. Hij had daarom dus veel vrijheid. Tegelijkertijd bepaalde zijn vader dat hij niet buiten de paleismuren mocht komen. Zijn vrijheid werd dus ook ingeperkt. Dat kreeg Siddhartha pas door toen hij zich als opgroeiend kind ging afvragen wat er zich buiten de muren afspeelde. Op het gebied van vrijheid was er dus veel mogelijk (Siddhartha was vrij tot veel dingen) maar er werd veel van hem verwacht (hij was niet vrij van veel dingen).

Kon Siddhartha autonoom zijn? Ja. Er waren als zoon van een heerser heel veel opties waaruit hij kon kiezen en dat deed hij ook. Zo’n beetje iedere bestelling kon tijdens het diner worden gedaan. Waarschijnlijk kwamen er ook iedere dag PostNL-busjes nieuwe bestellingen van Zalando en AliExpress brengen. Die keuze had Siddhartha als (zoon van een) rijk man. Maar kon hij wel echt zelf zijn regels maken? Niet helemaal. Want de regels konden alleen gemaakt worden binnen de kaders, die heel fysiek aanwezig waren: de paleismuren. Wat daarbuiten lag, kon alleen worden bereikt door met regels (opgelegd door zijn vader) te breken. En daarom besloot hij, met hulp van een paard, wagen en chauffeur, een kijkje te nemen buiten die muren. Daar kwam hij er op den duur achter dat wat hij zelf wilde: als asceet leven. Zonder bezittingen. Merk op dat de autonome keuze een keuze is met enorm veel beperkingen. Het gaat hier dus niet om wat er allemaal mogelijk is, maar om de manier waarop de keuze wordt gemaakt.

De grote paradox is natuurlijk dat er in het Boeddhisme niet zoiets is als het zelf en dat dat extreme gedoe van ascetisme ook niet de manier was om verlichting te bereiken. En bovendien kunnen we ons afvragen of Siddhartha wel zo’n sympathieke baas was door op z’n 29e zijn familie, vrouw en zoon te verlaten. Is het in dit geval een voorbeeld van autonomie of juist van individualisme?