Jean-Paul Sartre was een man met een mooie zijscheiding en hij rookte pijp. Op sommige foto's staat hij met een mooi rond brilmontuur en op Wikipedia kun je lezen dat deze man slechts drie centimeter meer dan anderhalve meter lang was. Maar naast het feit dat menigeen zou kunnen oordelen dat die combinatie van uiterlijk en gedrag ervoor zorgden dat Sartre een mooie kerel was, had hij ook nog wat constructiefs in de melk te brokkelen. Sartre vond bijvoorbeeld van alles en nog wat over authenticiteit. Twee van zijn opvattingen over authenticiteit wil ik als beginpunt nemen van dit boek. En dan komen we later wel op de definitie van authenticiteit en een bescheiden inhoudelijke analyse van de opvattingen van deze Franse filosoof.

De authenticiteitsparadox

Sartre was van mening dat je mensen niet kon leren authentiek te zijn. Want, zo redeneerde hij, juist als je laat zien (of vertelt of beschrijft) hoe je authentiek moet zijn, zullen degenen die deze raadgevingen opvolgen, niet meer authentiek zijn. Het is daarom beter om te tonen wanneer iemand niet authentiek is, zodat de lezer of toehoorder vervolgens zelf kan oordelen over de authenticiteit van zichzelf en anderen. Om vervolgens zelf authentiek te gaan proberen te handelen.

Dit geldt ook voor autonomie.

Het is onmogelijk om aan anderen voor te doen hoe je autonoom moet denken, handelen of zijn. Het hoogst haalbare is laten zien wanneer iemands individuele autonomie wordt bedreigd of misschien wel afwezig is. Maar binnen déze paradox zit weer een nieuwe paradox verscholen: het hoogst haalbare is namelijk altijd onmogelijk[1].

Even genoeg paradoxen. Terug naar waar het hier om gaat: autonomie laat zich, net als authenticiteit, niet voorschrijven. Daarom zul je in dit boek dan ook vooral voorbeelden zien van niet-, nauwelijks- of nooit-autonoom handelen of denken (je zult ook leren dat autonomie vooral in je hoofd zit en niet in je acties). En dan kun je zelf de conclusie trekken wat autonomie voor jou betekent. En óf het überhaupt wat voor je betekent. Maar vergeet dit advies. Autonomie laat zich niet voorschrijven.

Sartre zei nog iets over authenticiteit. Namelijk dat het zoeken (of streven) naar authenticiteit omwille van authenticiteit ervoor zorgt dat je niet meer authentiek bent. En ook deze overtuiging is prima te kopiëren naar autonomie omdat je pas autonoom kunt denken, handelen of zijn wanneer je weet ten opzichte waarvan je autonoom wilt denken, handelen of zijn. Autonomie is dus op zichzelf helemaal geen na te streven status en heeft zonder context ook helemaal geen waarde. Autonomie is altijd ergens in ingebed.

Wat het bovenstaande betreft heeft autonomie wel wat te maken met gezond eten. Je kunt namelijk pas gezond eten als je je complete voedingspatroon over langere tijd kent en het gedrag er omheen even goed in beschouwing neemt. En andersom ook: je weet pas je complete voedingsgedrag als je ook weet wat je vandaag eet.

Dit lijkt vrijwel onmogelijk om te kunnen behapstukken en ik wil alvast stellen dat dat ook onmogelijk is. Daarom is de simpele boodschap van dit boek slechts 'denk eens aan autonomie', zodat je dan zelf kunt oordelen wat je er aan kunt hebben. Maar ook dit is nog teveel een dwingende boodschap, dus kan ik slechts besluiten met mededelen dat dit boek gaat over wanneer autonomie soms in het gedrang komt en dit wellicht voor individuele moeilijkheden zorgt.

En dus

  • Je kunt autonomie niet voordoen;
  • Autonomie is onvoorspelbaar;
  • Niemand kan volledig autonoom zijn.

  1. Deze cognitieve stoornis, perfectionisme, zul je later in dit boek nog gaan tegenkomen ↩︎